Het leggen van vloertegels en plavuizen lijkt erg op het leggen van wandtegels. De meest gebruikte tegels zijn echter dikker en hebben een hardere en sterkere glazuurlaag. Keramische tegels zijn verdeeld in vier slijtgroepen. Groep 1 is bijvoorbeeld geschikt voor badkamers en groep 3 voor kamers en keukens. Op een glad afgewerkte vloer kunt u lijmen. Bestaat de ondergrond uit ruwe beton of variëren de tegels in dikte, kies dan de mortelmethode.
De volgende gereedschappen zijn voldoende: rolmaat, waterpas, winkelhaak, elastische draad, tegelsnijder of haakse slijptol, lijmkam, rubberen hamer, vloerwisser, harde spons.
Zorg voor een vlakke, schone, droge ondergrond. Houten vloeren moeten eerst van een cementen afwerkvloer voorzien worden. Nieuwe betonnen vloeren moeten eerst vier maanden drogen. In de badkamer is een extra waterdichte laag aan te raden. Behandel stenen vloeren met een voorstrijkmiddel.
Bij het bepalen van de tegelindeling gaat u uit van de deuropening. Trek vanuit het midden van de deur haaks een lijn naar de tegenoverliggende wand. Leg hierlangs een losse rij tegels, inclusief voegafstanden (3 mm. bij tegeltjes van 10 x 10 cm., 10 mm bij plavuizen van 30 x 30 cm.; gebruik voegkruisjes of houtblokjes). Zorg dat u aan beide kanten uitkomt op een halve pastegel of groter. Haaks op de twee buitenste tegels spant u met spijkers twee parallelle draden van hoek tot hoek. Leg hierlangs weer een rij tegels en span nog twee draden, zodat de vier lijnen een haakse rechthoek vormen waarbinnen alle hele tegels komen.
Maak de tegellijm aan volgens de gebruiksaanwijzing. U strijkt met een lijmkam de lijm op de vloer, een vierkante meter per keer in een 3 cm. dikke laag. Ga met lijm hetzelfde te werk als bij de wandbetegeling. Begin in een hoek en klop iedere tegel licht vast met de rubberen hamer. Meet bij elke rij met een draadopsteker en een stuk elastiek of u recht blijft en controleer met een rei over de hele lengte of alle tegels in hetzelfde vlak liggen. Eindig met de pastegels.
Tegels in een mortelbed leggen is een stuk moeilijker. Bevochtig de ondervloer met water, vermengd met een hechtmiddel. Maak de mortel volgens de gebruiksaanwijzing. Plaats op de vloer geleiders, drie kaarsrechte, ongeveer 10 mm. dikke latten die u evenwijdig op 1 meter van elkaar vastdrukt in een morteldammetje. Controleer met rei en waterpas of de latten zuiver horizontaal en even hoog liggen. Breng mortel aan tussen de geleiders, ten hoogste 2 m² per keer, en strijk de substantie glad door de rei schuivend over de geleiders naar u toe te halen. Haal de geleiders weg en vul ook de groeven met mortel.
Strooi cementpoeder op de plaats van de eerste twee (hoek)plavuizen en bevochtig de mortel. Plaats de tegels en klop deze licht aan. Controleer of beide op gelijke hoogte liggen door de afstand met een rei te overbruggen en hierop een waterpas te leggen. Plaats dan de tussenliggende plavuizen en werk vervolgens rij voor rij af. Plaats ook meteen de passtukken, want u mag twee dagen niet op de vloer lopen. Maak deze op maat met een slijptol of tegelsnijder.
Afvoegen doet u met een dunne voegmortel in de juiste kleur. U verdeelt die met een wisser tussen de voegen. Laat het voegsel een halfuur opstijven en verwijder resten met een harde spons en veel water.